Verkavelen maakt gemeenten niet rijk

Docent ruimtelijke planning Hans Leinfelder stelt dat gemeenten moeten blijven verkavelen, omdat ze de helft van hun budget bij hun bedrijven en burgers halen (DS 14 december). Dat overheden hun middelen bij bedrijven en burgers halen, is niet abnormaal. Het is niet zo dat gemeenten rijk worden wanneer ze verkavelen. Een studie uit 2015 toont dat ‘harde’ ontwikkelingen niet altijd positieve gevolgen hebben voor de gemeentekas. Infrastructuur en groen onderhouden en vernieuwen kost geld. Leinfelder schept een archaïsch beeld over de gemeentelijke werking. Ambtenaren zouden geen kennis van zaken hebben en zijn niet bestand tegen de druk van de politici. Het alternatief is dat Vlaanderen (weer) nauwkeurig bepaalt wat een gemeente moet doen, zoals voor 2000 het geval was. Dat een centraal gevoerd beleid tot een betere ruimtelijke ordening zou leiden, is een achterhaald idee. Het lokale bestuur­ staat niet alleen in contact met de projectontwikkelaar, maar ook met kritische buurtbewoners. Een beslissing over een plan of vergunningsaanvraag gebeurt niet in besloten kring. Bij een vergunningsbeslissing hoort het onafhankelijke advies van een gemeentelijke omgevingsambtenaar. Dat advies is erg belangrijk en het is essentieel dat het zonder inmenging tot stand komt. Soms zijn adviezen van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening of van de Vlaamse overheid vereist, vaak is er een openbaar onderzoek. Tegen een beslissing van het college van burgemeester en schepenen over een vergunningsaanvraag is beroep­ mogelijk. Dat college bestaat uit meerdere leden die samen beslissen over een vergunning. Die beslissingen zijn openbaar. Over ruimtelijke plannen beslist de gemeenteraad. En Vlaanderen heeft de bevoegdheid een plan in te trekken. Het zijn allemaal belangrijke waarborgen om tot goede besluitvorming te komen, waarbij het algemeen belang voorop staat, en niet dat van de projectontwikkelaar. We moeten de bevoegdheid om te beslissen over vergunningen en plannen lokaal houden. De terreinkennis zit bij de loka­le besturen, niet bij Vlaanderen. Vlaanderen koos ervoor de gemeenten op het vlak van ruimtelijke ordening steeds meer los te laten. Een goede keuze. Gemeenten willen worden afgerekend op het halen van doelstellingen. Een professionalisering van de lokale aanpak met betrokkenheid van de bevolking en voldoende garanties op het vlak van rechtszekerheid, is de basis voor een beter ruimtelijk beleid. Wat Leinfelder terecht opmerkt, is dat de voorgestelde planschade­regeling te genereus is en de ‘stolp’ over de woonreservegebieden maar een deel van het antwoord. Ook buiten die gebieden is er nog een bouwshift te realiseren. Daar zal niets van in huis komen als de planschade onbetaalbaar wordt voor de steden en gemeenten. Ook hoogleraar Tom Coppens wijst in zijn opiniestuk terecht­ op de catch 22 waarin het Vlaamse beleid steden en gemeenten plaatst (DS 15 december). Volgens Leinfelder is het kalf verdronken. Steden en gemeenten willen de koe juist bij de hoorns vatten. De Vlaamse overheid moet regelgeving goedkeuren die de bouwshift ondersteunt. Gemeenten kunnen het best aangeven waar die op het terrein­ moet plaatsvinden. Ze vragen de Vlaamse regering een herziening van wat voorligt.

Bron: Wim Dries, Voorzitter van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten in de Standaard 15 december 2020

Partners

Partners van Exello.net (4 jaar)

Sponsors van Exello.net (1 jaar)